Een man

Er is een man in de straat.
Hij bukt zich over het gemeenteperkje dat ze zich samen hadden toegeëigend. Er steken dunne stelen uit de grond. Afgemeten giet hij het water er omheen. Op de boom in het midden van het perkje is een bordje gespijkerd. VOORZICHTIG staat erop in rode letters. Gericht aan nonchalante automobilisten en onbezorgde hondeneigenaren. Hij speurt de straat af. Komt traag in beweging. Steekt de straat over. Pakt wat bladeren van de stoep. Kijkt opnieuw. Stapt het trapje op. Hoort een auto. Draait zich om. De auto rijdt door. De deur gaat langzaam dicht.

Guido van der Kleef

 

Rood 

 

Rood ben ik. Ook al zie ik bleek.

‘Wij zijn heel schappelijk,’ zegt de varkenskop.

‘Ik vind van niet,’ zeg ik.

‘Kan met niet schelen, wat jij vindt!’ blèrt de snuit.

Mijn handen zijn klam.

‘Ik sta niet alleen,’ zeg ik.

Zijn ogen worden spleetjes. 

‘Chanteer jij mij nu?’

Wij zijn met veel en hebben een vlag. Een grote.

Hij is met weinig, maar heeft zijn portemonnee. Een dikke.

Hij is de directeur. Maar wij zijn rood.

Marga Bruijnis

 

Koersen

Het was begonnen met de dikke-banden-race te Roeselare. Tien jaar was hij en met een banddikte had hij Eddy Merckx verslagen. Eddy was elf. Potverdorie, had Eddy nog gezegd. Daarna mocht hij knechten in kleinere koersen en daar had hij een sigarenwinkel aan over gehouden. Nu zat hij tussen de houtkrullen in zijn schuur. In de hoek stonden de vogelnestkastjes die hij voor 100 Belgische franken verkocht. Aan het plafond hing zijn Peugeot met zijn diepverroeste ketting. Zijn vrouw kwam binnen. Klokslag tien uur.
‘Hier uwen koffie,’ zei ze en ze slofte over het tuinpad terug naar haar keuken.

Hein van der Schoot